Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF3843

Datum uitspraak2002-02-28
Datum gepubliceerd2004-10-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers20.002055.01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte wordt in hoger beroep ter zake van verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Tevens wordt ter beschikking stelling van de verdachte gelast , waarbij verdachte van overheidswege wordt verpleegd.


Uitspraak

parketnummer : 20.002055.01 uitspraakdatum : 28 maart 2002 tegenspraak GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH meervoudige kamer voor strafzaken A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 september 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/035055-01 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko), op 13 april 1972, wonende te [adres], thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Oosterhoek" te Grave. Het hoger beroep De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. De tenlastelegging Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over. De bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande: dat hij op 25 februari 2001 te Helmond door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn penis en zijn tong in de mond van voornoemde [slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte die [slachtoffer] de keel heeft dichtgeknepen en aan het haar van die [slachtoffer] heeft getrokken en die [slachtoffer] tegen haar wang heeft geslagen en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij zijn zin moest doen omdat ze het er anders niet levend van af zou brengen en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij, verdachte, haar zou slaan als zij maar een kik zou geven en (met kracht) zijn gebalde vuist tegen de kin van die [slachtoffer] heeft geduwd/geplaatst en (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het bewezenverklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf en maatregel Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Door drs. P.A.E.M.T. Cremers, psycholoog, en J.M. Persoon, psychiater, is een onderzoek ingesteld naar de persoonlijkheid en geestvermogens van de verdachte. De deskundigen hebben op 12 juli 2001 respectievelijk op 15 juli 2001 hun rapporten uitgebracht. Deze rapporten waren ten tijde van de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting van het hof (17 januari 2002) niet ouder dan één jaar. Het rapport van de deskundige Cremers houdt onder meer in, - als conclusie van de deskundige, zakelijk weergegeven: Betrokkene is een (beneden)gemiddeld intelligente man met een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. Indien bewezen is er sprake van recidiverend ernstig zedendelinquent gedrag, waarin krenkingen ten gevolge van (sexuele) afwijzing vanuit betrokkenes narcisme tot dergelijke agressieve sexuele daden zouden hebben kunnen leiden. Betrokkenes antisociale trekken, met name zijn impulsiviteit en gebrekkige gewetensfunctie dragen bij aan de vrijloop in zijn impulsen, driften en lusten. - als antwoord op de gestelde vragen: Betrokkene is, zoals in 1999 ook al werd vastgesteld, niet lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, maar wel aan een gebrekkige ontwikkeling daarvan, in diagnostische termen te omschrijven aan een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en antisociale trekken. Bij betrokkene is tevens sprake van middelengebruik (alcohol). Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was het bovenstaande aan de orde. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden). Daar betrokkene het tenlastegelegde ontkent (en hierover met hem dus niet gesproken kan worden) is moeilijk na te gaan welke aspecten van zijn persoonlijkheidsstoornis in het delict (indien bewezen) een rol zouden kunnen hebben gespeeld. Het is zeer goed denkbaar dat narcistische krenkingen van het met overwaardige ideeën doorspekte zelfbeeld (ten gevolge van de (sexuele) afwijzing door aangeefster) bij betrokkene in zekere mate tot een dergelijke sexueel agressieve daad zouden kunnen hebben geleid. Betrokkenes antisociale trekken, met name zijn impulsiviteit en gebrekkige gewetensfunctie (en in mindere mate ook de hoeveelheid genuttigde alcohol) zouden daarbij in zekere mate verder hebben bijgedragen aan de vrijloop in zijn impulsen, driften en lusten. Geadviseerd wordt betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar. Betrokkene zoekt door middel van sexueel contact bevestiging van zijn overwaardige identiteit. Gezien betrokkenes persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken kunnen afwijzingen hierin leiden tot frustratie, angst, onzekerheid, worden en in gedragsmatige zin tot (sexuele) agressie. De kans op herhaling van soortgelijke delicten wordt verder vergroot door een gebrek aan inzicht en remmend vermogen en, meer fenomenologisch gezien, het feit dat het, indien bewezen, om een recidive gaat. Betrokkene is nauwelijks geneigd verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag te nemen. Slechts de relatie tussen alcoholgebruik en agressie is enigszins bespreekbaar, maar de ernst hiervan wordt tegelijkertijd door betrokkene gebagatelliseerd. Hulpverlening in het kader van zijn drankgebruik is overigens nooit goed op gang gekomen en lijkt nu, gezien betrokkenes problematiek in relatie tot de tenlastelegging en het reduceren van de recidivekans, niet essentieel. Daarvoor is het nodig dat betrokkenes persoonlijkheidsproblematiek (die voor een essentieel gedeelte betrokkenes drankprobleem in stand houdt) centraal staat en hierin heeft betrokkene geen inzicht en is de motivatie afwezig. Dat betekent dat een behandeling dient plaats te vinden in een sterk gestructureerde omgeving waarin de kans dat hij zich aan de behandeling onttrekt in alle facetten dient te worden geminimaliseerd. - als advies van de deskundige, zakelijk weergegeven: Uit het vorenstaande volgt het advies om betrokkene de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Het rapport van de deskundige Persoon houdt onder meer in, - als conclusie van de deskundige, zakelijk weergegeven: Betrokkene maakt een gemiddeld intelligente indruk. Het bewustzijn is helder. Er zijn geen waarnemings-, denk-, oriëntatie- en geheugenstoornissen. Er zijn geen aanwijzingen voor dwangmatigheden, dissociatie, derealisatie of depersonalisatie. De impulscontrole is intact wanneer hij nuchter is. Hij past zich liever aan door krenkingen te vergeten. Echter wanneer hij gedronken heeft, onder meer om vervelende krenkingen te vergeten, kan hij agressief in woord en daad reageren. Dit treedt vooral op wanneer de ander probeert macht over hem uit te oefenen. Er zijn wederom duidelijk aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, die onder invloed van middelen versterkt worden. Volgens het DSMIV-classificatiesysteem heeft betrokkene ernstige problematiek: alcoholintoxicatie en misbruik van alcohol en een persoonlijkheidsstoornis n.a.o. met narcistische en antisociale trekken. Beide stoornissen beïnvloeden elkaar. Als gevolg van de ernstige verwaarlozing in het gezin van herkomst ontwikkelde betrokkene een persoonlijkheidsstoornis. Door goede structuur en begeleiding kon hij, door zich aan te passen, gedurende zijn internaatsperiode aan zijn ideaalbeeld voldoen. Meer teruggeworpen op zichzelf kon hij zijn ideale levenspatroon niet handhaven en verviel hij tot middelengebruik, hetgeen zijn andere levensproblemen nog verergerde. Gevoelens van onmacht, verdriet vanuit zijn jeugd worden door de alcohol tijdelijk verdrongen. Wanneer echter de frustraties toch bovenkomen verandert hij door de losgekoppelde agressie in een persoon die hij niet wil zijn. Een ander neemt de macht over hem over, hij wordt geregeerd (door lust en drift). Uit deze spiraal kon hij op eigen kracht niet komen, in deze zin zou een straf met een behandelaanbod voor zijn alcoholgebruik van destijds ook naar zijn zeggen een geluk bij een ongeluk kunnen zijn. Echter, het middelengebruik - hoewel aanwezig - zou hij ook kunnen aangrijpen om zich minder schuldig te voelen en minder naar zijn eigen rol c.q. persoonlijkheid te kijken. Liever de alcohol de schuld dan hijzelf. Indien hij het delict gepleegd heeft, zouden bovengeschetste mechanismes een rol kunnen spelen. Tegelijkertijd zouden de herinneringen hieraan door de intoxicatie gecombineerd met zijn persoonlijkheidsstoornis leiden tot een gehele of gedeeltelijke ontkenning van het gebeurde. Betrokkene heeft overigens gelet op de voorgescheidenis en de huidige gesprekken weinig vermogen om een op de persoon gerichte inzichtgevende behandeling te ondergaan, echter in het forensisch psychiatrisch circuit zijn steeds meer behandelmogelijkheden en de snelle terugval maakt ingrijpen noodzakelijk. - als antwoord op de gestelde vragen, zakelijk weergegeven: Betrokkene heeft als gevolg van zijn jeugd een scheefgroei in zijn persoonlijkheid ontwikkeld, een persoonlijkheidsstoornis n.a.o. met antisociale en narcistische kenmerken. Tevens is er sprake van misbruik en intoxicatie van middelen, met name alcohol. met ernstige beperkingen in zijn persoonlijke en maatschappelijke leven. Naast de voortdurend aanwezige persoonlijkheidsstoornis was betrokkene tijdens het plegen van het beoogde delict onder invloed van een hoeveelheid alcohol. De intoxicatie kon zijn gevoelens, gedragskeuzen tijdens het plegen van het delict en de herinnering erna beïnvloeden. Hetzelde geldt voor zijn persoonlijkheidsstoornis. De persoonlijkheidsstoornis blijkt een grotere rol te spelen dan voorheen ingeschat. Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid bij deze mogelijke delicten, indien begaan en bewezen, is het denkbaar dat de volgende en elkaar beïnvloedende factoren een rol spelen: zijn gewone mechanismes, als zich aanpassen aan wat wenselijk is om zijn doel, nl. sexuele voldoening te bereiken, zoals verleiden door charmant te zijn, werkten onvoldoende snel; zijn door alcohol verminderde frustratietolerantie en mogelijk onderliggende afgeweerde machteloosheid (verantwoordelijkheid, relatieproblematiek en zijn verleden in het gezin van herkomst) lieten wederom geen uitstel toe; mogelijke remmingen vanuit zijn beperkte gewetensfunctie vallen onder invloed van alcohol weg. Hij koos voor geweld om macht uit te oefenen en zijn doel te bereiken. De kern van zijn gedrag komt voort uit zijn persoonlijkheidsstoornis, de negatieve aspecten hiervan worden gefaciliteerd door alcohol- en middelengebruik. De toestand van geintoxiceerd zijn beïnvloedt zijn herinnering over het gebeurde mogelijk in fysiologische zin. Er is gedeeltelijke amnesie. Daardoor werd het makkelijker zijn herinneringen naar gewenst beeld van zichzelf in te kleuren. Echter ook de persoonlijkheidsstoornis op zichzelf heeft invloed op zijn herinneringen: op grond van zijn achtergrond en cultuur is het beter om over een dergelijk feit te liegen dan anderen nog onder ogen te durven komen. Hij zou dan bewust toegeven dat hij net als vader is en hij (nu zelf ook vader) wil het beter doen. Op onbewust niveau zouden deze feiten zo ernstig voor zijn gevoel van eigenwaarde kunnen zijn dat hij niet liegt maar loochent, aangezien dit niet in zijn narcistisch beeld, de redder van vrouwen en bijv. zusje, past. Betrokkene had op basis van vroegere ervaringen en kennis echter kunnen voorzien dat hij in een dergelijke toestand kon geraken (culpa in causa principe). Dit geldt zowel voor de situatie (slecht aangeschreven kennissen) waarin hij zich begaf, als wel het middelengebruik. Bovendien waren er in de loop van de gebeurtenissen meer dan eens keuzemogelijkheden. Op grond hiervan is betrokkene niet verminderd, doch slechts licht verminderd toerekeningsvatbaar. Gelet op de toch gebrekkige gewetensfunctie bij de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene en zijn middelengebruik, is de kans op herhaling van een dergelijk delict -indien begaan en bewezen- zeker niet gering. Betrokkene heeft weliswaar wederom van deze situatie geleerd, is bereid aan zijn middelengebruik te gaan werken, zorgvuldiger zijn kennissen te kiezen en beschouwt zijn vaderschap als een nieuw begin, doch het verleden en de korte tijd na zijn detentie (vier maanden) dat hij vrij was, hebben geleerd dat hij zonder professionele hulp en drang dit niet zou kunnen. Om de kans op herhaling te voorkomen leek bij de vorige rapportage een tbs-behandeling vooralsnog niet zinvol, gelet op het feit dat betrokkene de delicten ontkende en daardoor vooralsnog weinig ingang bood voor een behandeling gericht op persoonlijkheidsverandering. Ook had hij onvoldoende inzicht, reflectievermogen en andere vaardigheden om van een dergelijke behandeling veel profijt te hebben, zoals ook zijn voorgaande hulpverleningsgeschiedenis laat zien. Het aanpakken van het middelengebruik leek toen de beste kans te bieden om een recidief te voorkomen. In het verleden had betrokkene baat bij begeleiding en een gestructureerde setting en leerde hij sociaal gedrag. Gelet op de ernst van het beoogde delict en de snelle terugval tijdens de ambulante begeleiding dient betrokkene zowel voor hemzelf als voor de mogelijke slachtoffers in de maatschappij een intensieve, op de persoonlijkheid gerichte intramurale behandeling te ondergaan. De voorkeur gaat hierbij uit naar een forensisch psychiatrische kliniek. - als advies van de deskundige, zakelijk weergegeven: Indien betrokkene schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd, in overleg met de mederapporteurs, betrokkene een straf naar rato op te leggen en terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Gedurende de strafperiode een verder verblijf op de VBA (verslavingsbegeleidingsafdeling), waar betrokkene baat bij zegt te hebben, zodat de TBS-periode korter kan zijn. Het hof neemt de hiervoor aangehaalde oordelen van de deskundigen over en maakt deze tot de zijne, in die zin dat het hof verdachte aanmerkt als verminderd toerekeningsvatbaar. Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte er rekening mee gehouden dat de verdachte op 17 maart 2000 was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden terzake van soortgelijke strafbare feiten, welke detentieperiode eindigde op 16 november 2000, en dat het tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde slechts enkele maanden nadat verdachte uit die detentie was ontslagen, is gepleegd. Het hof houdt voorts rekening met de hiervoor vermelde conclusies van de deskundigen, dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in (licht) verminderde mate kan worden toegerekend. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden. Voorts is het hof, op grond van het oordeel dat ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde feit bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en dat sprake is van een niet geringe kans op herhaling van dergelijke ernstige zedendelicten, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Zulks is ook toegelaten, nu het tenlastegelegde en hiervoor bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld. Daarnaast is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof zal in zijn uitspraak het advies opnemen dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van dit arrest, dient aan te vangen. De toegepaste wettelijke voorschriften De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 27, 37a, 37b en 242 van het Wetboek van Strafrecht. B E S L I S S I N G: Het hof: vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht; verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert: "Verkrachting."; verklaart de verdachte deswege strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van drie jaren; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht; gelast de terbeschikkingstelling van verdachte; beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd; adviseert dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van dit arrest dient aan te vangen. Dit arrest is gewezen door Mr. Koster-Vaags, als voorzitter Mrs. De Poorter en Denie, als raadsheren in tegenwoordigheid van Dhr. Koningstein, als griffier. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 maart 2002. Mr. De Poorter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. U I T D R A A I G E G E V E N S 1e A A N L E G zaaknr.: 02 tijd : 10.30 rolnummer: 20.002055.01 verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko), op 13 april 1972, wonende te [adres], thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Oosterhoek" te Grave Is bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 september 2001 ter zake van: "Verkrachting." veroordeeld tot: een gevangenisstraf voor de tijd van drie jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met terbeschikkingstelling van verdachte en bevel dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.